Advertenties

Advertenties

Advertenties

Bijna iedere zeevisser heeft minimaal wel ééns een schar gevangen. En is de eerste schar binnen dan zitten er meer en volgt al gauw de volgende. Schar is een platvis die vrijwel het gehele jaar door langs onze kust te vangen is. Helaas heeft ook vriend schar zwaar te lijden onder de enorme overbevissing die de laatste jaren de gewoonste zaak van de wereld schijnt te zijn. Vroeger werd er nauwelijks op schar gevist omdat ze meestal doordraaiden op de afslag. Er was nauwelijks interesse van de kant van de beroepsvisserij waardoor de toch al enorme populaties maar bleven groeien.
 
Een jaartje of twintig geleden maakten de Nederlandse sportvissers voor het eerst kennis met een zeebaars. Een kennismaking die velen niet gauw zullen vergeten. Een voorzichtig tikje op de top, meteen gevolgd door een enorme timmer, waarbij zelfs de strandhengel met steun en al tegen de vlakte kan gaan. Wat een geweld! En wat een prachtige vis! In die tijd was het vangen van een zeebaars meestal een toevalstreffer en werd er slechts door een kleine groep zeehengelaars gericht op deze supersportvis gevist. Tegenwoordig kan er in de zomer en herfst door iedere hengelaar die wat aandacht besteedt aan techniek en materiaal met een grote kans op succes de zeebaars worden belaagd.
 
Het loopt tegen middernacht en de sportvisser staat nu al een paar uurtjes naar de ietwat gebogen hengeltop te staren. De gul lijkt weer eens van de zeebodem te zijn verdwenen. Ineens een korte felle tik op de top. Dé sportvisser wacht op het kenmerkende terugveren van de top. Dat gebeurt echter niet, het blijft bij een serie korte felle rukken. Waarschijnlijk wijting. En inderdaad, hij draait even later een wijting binnen. De volgende worp resulteert meteen wéér in een wijting. Vlug monteert hij een paternoster met wat kleinere haken, vervangt de enorme kluit pieren door een enkel piertje en vermaakt zich tot in de vroege ochtend met het vangen van deze neefjes en nichtjes van de kabeljauw.
 
De meest bijzondere vissoort die we in zee kunnen aantreffen, is ongetwijfeld de aal of paling. En dan hebben we het niet over de zeepaling of conger, maar over de 'gewone paling', dezelfde die we ook in het slootje achter ons huis kunnen aantreffen. Een beetje flinke aal die in het zoute water wordt gevangen, wordt echter snel voor zeepaling uitgemaakt. Toch is het verschil tussen een paling en een zeepaling of conger vrij makkelijk te zien. Afgezien van het formaat -een beetje conger wordt makkelijk twee meter lang- is de onderkaak van de paling langer dan de bovenkaak. Bij de conger is dit precies omgekeerd.
 
Een lome dag in een klein maar comfortabel visbootje op de Noordzee. De zon staat hoog aan de hemel, het is ruim 30 graden en het spiegelgladde water oogt volkomen visloos. De sportvisser werpt zo nu en dan een blik op de geepdobber; hij verwacht echter geen interesse meer voor het stripje vis dat onder de dobber zweeft. Ineens, zonder waarschuwing, staat de wereld op zijn kop: krijsende meeuwen, tientallen visdiefjes die in het water plonzen en een dobber die met een bloedgang wegspeert! Geep? Nee, geen vergissing mogelijk, meters lijn worden van de molen gerost en de gehaakte vis weet van geen ophouden: zonder twijfel makreel! Gedurende korte tijd is de sportvisser getuige van een bende woeste rovers die met een ongelofelijke snelheid jacht maakt op alles wat beweegt.
 
Een dagje zeevissen: zilte lucht, krijsende meeuwen, krabbetjes die in het heldere zeewater zijwaarts over de bodem hobbelen en het immense gevoel van ruimte. Hoewel zeevissen? De sportvisser heeft een lichte karperhengel in zijn hand, tuurt naar een stevige matchdobber en naast hem ligt een grote homp witbrood. Plotseling verschijnen er twee grote, torpedovormige vissen. In het heldere water is te zien dat ze in de bodem beginnen te happen. Na enkele ogenblikken, die zenuwslopend lang duren, heeft één van de vissen de broodvlok ontdekt en na een korte inspectie als 'eetbaar' beoordeeld. De sportvisser zet de haak en vervolgens ontploft het water. Hij heeft het aan de stok met een harder.
 
Het is eind november; er staat een pittige zuidwester, de temperatuur haalt met moeite de vier graden en de regen komt met bakken uit de lucht vallen. Hondenweer dus. Toch is het dringen op het havenhoofd, de gul is gearriveerd! Jonge kabeljauw wordt in de volksmond gul genoemd. Niemand weet echter precies waar de grens tussen kabeljauw en gul ligt. Soms lees je wel eens dat deze 60 cm zou zijn, maar kabeljauwen van ruim 20 pond worden door Nederlandse hengelaars nog steeds voor gul uitgescholden. De kabeljauw is een vis die kan uitgroeien tot respectabele afmetingen. Er zijn ooit kabeljauwen gevangen van meer dan anderhalve meter lang met een gewicht van ruim 80 pond!
 
De eerste warme en zonnige dagen in mei zijn voor de meeste zeevissers aanleiding om in de auto te springen, vol gas naar pier of strekdam te rijden en zo snel mogelijk een dobber voorzien van een stripje verse makreel te lanceren. Zouden ze er al zijn? Meestal wel, want de eerste gepen verschijnen met een beetje geluk al in april langs onze kust. Ingooien, wachten en vaak volgt na een kwartiertje al wat gerommel aan de oppervlakte vlak bij de dobber. En dan ineens, voordat je beseft wat er gebeurt, scheurt de dobber als een speedboot over het water en kan het feest beginnen. Dat kan niets anders zijn dan geep.
 
Een vers gevangen en in olie gebakken schar is voor veel bewoners van de kuststreek het lekkerste wat de zee zo ongeveer te bieden heeft. Toch geldt voor het overgrote deel van visetend Nederland dat het water ze pas in de mond begint te lopen wanneer ze aan tong denken. Iedereen -ook degene die niet vist- heeft wel eens een overheerlijke gebakken tong en een tongrolletje geproefd. Het is dan ook niet vreemd dat de tong een gewaardeerde visserijbuit is. Gelukkig komt de tong ook algemeen langs onze kust voor en valt er met de hengel en wat geluk soms goed tong te vangen.
 
Sportvissers zijn als geen ander in staat vissoorten te herkennen. Toch gaat het bij platvis wel eens een keertje mis. Een lekker dagje strand of wad met als resultaat 15 schollen, is 10 tegen één een lekker dagje met 10 botten. Veel zeehengelaars hebben de neiging om een platvis met rode vlekken voor schol uit te maken. Bot heeft echter op de bovenzijde ook vaak roodachtige vlekken. Hoewel deze vlekken meestal minder fel gekleurd zijn, kunnen we beter gebruik maken van andere kenmerken om deze platvissen uit elkaar te houden. Duidelijk herkenbaar bij de schol is bijvoorbeeld het rijtje benige knobbels dat loopt van het oog tot het begin van de zijlijn. 'Typisch schol' is ook de zeer gladde huid aan de bovenzijde van de vis, die in vergelijking met de huid van schar in beide richtingen glad aanvoelt.
 
Een prachtige dag in januari op de Zuidpier bij IJmuiden. Er staat een zwak windje uit het oosten, het vriest net een graadje en de zon schijnt volop. De pier ziet werkelijk zwart van de hengelaars. Al snel wordt de reden van deze drukte duidelijk: de schar is volop aanwezig! Aan de vangsten is te zien dat schar een echte scholenvis is, bijna iedereen vangt vis en regelmatig zijn de drie haken van de paternoster bezet door deze lichtbruine en iets doorzichtige platvissen.
 
'Was het wat?', zomaar een vraag aan een zeevisser op een parkeerplaats bij Den Oever. 'Niks bijzonders, slechts een stuk of 10 botten', is het antwoord. Toch wel met enige trots laat de hengelaar de grootste exemplaren zien. Onmiskenbaar bot: een wat langwerpige platvis met een groenbruine rug, een rij duidelijk voelbare knobbeltjes langs de zijlijn en hier en daar wat roestbruine vlekken. Opvallend is ook dat de witte buik van een paar vissen hier en daar wat donkere plekken vertoont.